
Monet krijgt zijn eigen tijdmachine
- 3 min.
- Art & Design
Monet: een reis door de tijd
In de jaren 1870 gold Monet als het gezicht van het impressionisme, ook al nam hij zelf maar aan vijf van de acht groepstentoonstellingen deel. Zijn werk, meestal buiten geschilderd, met snelle toetsen en heldere kleurharmonieën, leek de stijl in zijn zuiverste vorm te belichamen. Het vastleggen van een moment dat alweer voorbij is tegen de tijd dat het penseel het canvas raakt.
Honderd jaar na de dood van Claude Monet wijdt het Musée de l'Orangerie in Parijs een grote overzichtstentoonstelling aan de manier waarop de schilder zijn hele carrière worstelde met tijd. Monet, painting time loopt van 30 september 2026 tot en met 25 januari 2027 en brengt zo'n veertig werken samen. Deze komen uit de collecties van het Musée d'Orsay en het Musée Marmottan Monet, aangevuld met bruiklenen uit binnen- en buitenlandse collecties. Nadien reist de expo door naar Tate Modern in Londen, van 25 februari tot 27 juni 2027.
Monet stierf op 5 december 1926, tachtig jaar oud. Enkele maanden later, op 17 mei 1927, kregen zijn Nymphéas (Waterlelies) hun definitieve plek in de Orangerie, in de Tuilerieën, onder de naam Musée Monet. Die dubbele verjaardag is de aanleiding voor een tentoonstelling die niet zomaar Monets bekendste werk herhaalt, maar zijn hele oeuvre leest als een onderzoek naar tijd: hoe je het vastlegt, hoe je het fragmenteert, en hoe je het uiteindelijk laat oplossen in iets ononderbroken.
Van vluchtig moment tot serie
Vanaf de jaren 1890 begint Monet hetzelfde onderwerp op verschillende tijdstippen van de dag te schilderen. Hij bouwt zo zijn beroemde reeksen op: Les Meules (Hooibergen, 1888-1891), Les Peupliers au bord de l’Epte (Populieren langs de Epte, 1891-1892), Cathédrale de Rouen (1892-1898) en later Matinée sur la Seine (Ochtend aan de Seine,1896-1897). Voor de populieren onderhandelde Monet zelfs met de eigenaar om de bomen – die eigenlijk geveld zouden worden – nog even te laten staan tot zijn doeken af waren. Aan de kathedralenreeks werkte hij bijna drie jaar, veel langer dan aan eerdere reeksen, alsof hij wilde tonen dat zelfs steen verandert.
'Tant que le soleil brillera sur elle, il y aura autant de manières d'être de la cathédrale de Rouen que de divisions de temps possibles à l'analyse de l'homme.' – Georges Clemenceau
Politicus Georges Clemenceau schreef in 1895 een beroemd geworden artikel getiteld Révolution de cathédrales in zijn krant La Justice over serie en noemde het 'une révolution sans coups de fusil' (een revolutie zonder één schot te lossen). Hij stelde vast dat zolang de zon schijnt, de kathedraal evenveel gedaanten aanneemt als er tijdsdelen of seconden in een dag te onderscheiden zijn. Voor Clemenceau was deze artistieke vernieuwing even ingrijpend als een politieke omwenteling, maar dan overgebracht via het licht op het canvas.
Londense mist en waterlelies
Tussen 1899 en 1901 keerde Monet terug naar Londen, waar hij dertig jaar eerder al geschilderd had, om er drie reeksen te wijden aan Charing Cross Bridge, Waterloo Bridge en het Britse parlementsgebouw. Ditmaal was hij geobsedeerd door hoe mist zich vermengde met industriële rook en zonlicht. Hij bracht meer dan honderd onafgewerkte doeken mee terug naar Frankrijk om ze daar verder af te werken.
Het sluitstuk van de tentoonstelling – en van Monets carrière – is de Nymphéas-cyclus: meer dan tweehonderd doeken van zijn waterlelietuin in Giverny. Tot aan zijn dood bleef hij hieraan werken. Daags na de wapenstilstand van 1918 schonk hij de werken aan Frankrijk. De twee ovale zalen die de Orangerie speciaal voor de grootformaat-panelen liet bouwen, noemde kunstenaar André Masson in 1952 de Sixtijnse Kapel van het impressionisme.
Net in die ruimtes, van bovenaf gezien in de vorm van een oneindigheidsteken, valt de horizon weg en lossen water, licht en plantengroei op in de omgeving, weg van het begrip tijd.
Meer info bij het Musée de l'Orangerie.
Beeld:
Claude Monet
Le Bassin aux nymphéas, harmonie verte, 1899
Musée d'Orsay
Legs comte Isaac de Camondo, 1911
© GrandPalaisRmn (musée d'Orsay) / Stéphane Maréchalle


